Parametricisme?

\ \ nwt.rs/21 \ 190 lezers \ 0 reacties \ \

De Europese architectuur heeft doorheen de tijden interessante evoluties meegemaakt, en in vele steden lijkt het wel alsof alles geconcipieerd werd als gigantisch openluchtmuseum. De verscheidenheid aan stijlen, elk met hun specifieke eigenschappen en verschillen, maken de stedelijke visie tot een samenhorend geheel. Desondanks evolueert het stijlaanbod in architectuur, en stopt de huidige architectuur niet bij postmodernisme of minimalisme. Digitale technieken wijzigen de stijlvariatie op een zodanige manier dat we wel degelijk kunnen spreken van een nieuwe stijl en een nieuwe stroming, resulterend in een volledig nieuwe vormentaal.

In zekere zin kunnen we stellen dat de invoer van digitale ontwerptechnieken de architectuur van vandaag danig beïnvloedt. In veel gevallen is de vormentaal dusdanig anders dat we nog maar moeilijk kunnen spreken van postmodernisme. Zelfs de relatief onbekende stijl supermodernisme lijkt me niet helemaal van toepassing te kunnen zijn. Het gaat hem immers om meer dan het vormelijke eindresultaat; ook de conceptuele aanpak speelt een belangrijke rol bij de verwezenlijking van architectuur waarbij digitale technieken intensief ingezet worden.

Als we de vormelijke rijkheid van klassieke stijlen als gotiek, barok en rococo aanschouwen, dan kunnen we al snel vaststellen dat een en ander met moderne technologieën ook op relatief eenvoudige wijze te bewerkstelligen is. We hebben het dan niet over de financiële consequenties van een doorgedreven vormelijke vrijheid – hetgeen in de tijden van gotiek wellicht geen al te groot probleem was, getuige daarvan de vele artefacten die we daarvan nog in onze omgeving aantreffen. Qua ontwerp wordt ons als ontwerpers in deze tijden echter een uitgebreid arsenaal nieuwe mogelijkheden geboden: geometrische vraagstukken worden in grote mate opgelost door sterk ontwikkelde programmeerlogica, een en ander wordt reeds in een ontwerp-stadium adequaat visueel voorgesteld, en het geheel is tot in de fijnste puntjes manipuleerbaar tot luttele seconden vooraleer het geheel in productie gaat.

Door al deze vernieuwingen, door alle nieuwe mogelijkheden en voornamelijk als gevolg van de grote impact die digitale technieken hebben op de vorm van architectuur, lijkt het me niet opportuun om deze puur parametrisch opgebouwde werken te blijven klasseren onder de noemer van post- of supermodernisme. Hoewel veel van de architectuurpraktijken in deze richtingen wel degelijk de computer consequent gebruiken als ontwerp-tool, is er niet noodzakelijkerwijze sprake van de essentialiteit van de computer in hun ontwerpen. Het gaat om meer dan een computergestuurde plaatsing van raamopeningen en een beperkte digitale vormentaal, maar het gaat om een volledig concept: parametrische architectuur is de opvatting waarbij aan de hand van bepaalde digitale invoerparameters en op basis van programmeerlogica een unieke vormentaal gegenereerd wordt. Dat het ontwerp daarbij aangepast wordt door manipulatie van de verschillende parameters, spreekt voor zich.

Een en ander wordt ook reeds besproken in het recente doch reeds fel bekritiseerde essay van Patrik Schumacher, vennoot in de architectuurpraktijk van Zaha Hadid en voornamelijk gefocust op de theorema’s die de basis vormen voor parametrische architectuur. In zijn essay stelt hij dat Parametricisme de nieuwe stroming in de architectuur is, de opvolger van modernisme. Hij stelt dat zowel het postmodernisme als deconstructivisme traditionele tijdperken omsloten. Art Nouveau en expressionisme zijn dan weer overgangsperiodes van historicisme naar moderniteit. Parametrische technieken klasseren onder de noemer van het modernisme lijkt hem – logischerwijs – uitgesloten: daar waar modernistische architecten zich veelvuldig toespitsten op verdeling en herhaling, opteert de parametrische ontwerper voor continue differentiatie en intensieve relaties tussen ruimtes en gebouwen. Dit verschil op zich duidt aan dat er weinig of geen verband bestaat tussen beide stijlen.

Een stijl die mogelijk enige verwantschap kan vertonen met parametricisme is het postmodernisme, wat een opmars kende in de jaren ’60 en diende als indrukwekkend tegengewicht voor de ornamentloze en kubusvormige vormentaal van het modernisme. Postmodernistische ontwerpen hebben vrije tot zeer vrije vormen, speelse (tot soms wat gekunstelde) en geavanceerde technologische oplossingen, en vaak versieringen die min of meer verwijzen naar vroegere bouwstijlen. Postmoderne architecten zullen – ondanks veelvuldige kritiek van vernieuwings-angstige architecten – stellen dat de architectuurgeschiedenis een grabbelton is waaruit vrijelijk geput kan worden.

Om terug te blikken op het essay van Patrik Schumacher, merken we zijn visie op die stelt dat parametricisme in staat is om continuïteiten en referenties op te bouwen tussen verschillende elementen, hoe groot de fysische en psychische afstand tussen beide ook is. Parametricisme, zo stelt hij, is in staat om vernaculaire, klassieke, modernistische, postmodernistische, deconstructivistische en minimalistische stedelijke condities in beschouwing te nemen, om op basis daarvan een nieuw referentiekader tot stand te brengen en verbindingen te leggen tussen en bovenop verschillende stedelijke elementen en condities.

Als men parametricisme vormelijk beschouwt, kunnen we ook zonder enige twijfel stellen dat deze visie klopt. In werken van Hadid’s praktijk, maar ook in de werken van bureau’s als Kokkugia en Studio Formwork stellen we wel degelijk een doorgedreven zoektocht vast naar referentiering van verschillende urbane elementen. Veelal wordt dit in de parametrische ontwerpmethodiek bereikt door vloeiende vormen, maar een en ander kan ook bewerkstelligd worden door een rigide lijnenpatroon. Het gaat hem in de methodiek immers om de totaalaanpak: van secundair concept (het primair concept is nog steeds een schetsmatige visievorming) tot uitwerking, een stappenproces waar het gebruik van digitale technieken een essentialiteit is.

Deze digitale technieken dienen – om van parametricisme te kunnen spreken – bovendien parametrisch aanstuurbaar en manipuleerbaar te zijn. In plaats van ons te baseren op de standaard geometrieen (rechthoeken, kubussen, cilinders, piramides en bollen) dienen we een nieuw arsenaal van vormen te leren aanwenden: splines (aaneenschakeling van stukjes van polynomen), nurbs (een gekromde polygoon die een grote mate van controle over het vervormen ervan en zo tot een efficiente werkwijze leidt) en subdivs ofte subdivision surfaces. Op basis van deze nieuwe geometriëen kunnen dynamische systemen als hairs (haren), cloths (doeken), blobs en metaballs (organisch uitziende n-dimensionele objecten). Hun interactie, vormgeving en dimensionering zal aangestuurd worden door een systeem van attractors en deflectors. Het uiteindelijke doel van parametrische ontwerpen dient erin te bestaan dat interne en externe afhankelijkheden van een ontwerp, alsook de referenties naar de urbane context, geïntensifieerd wordt.

Deze digitale en parametrische technieken kunnen niet meer geweerd of ontkend worden binnen de architectuurscène. Desondanks pleit ik ook in geen geval voor het overboord gooien van andere stijlen die we in deze tijden rijk zijn: postmodernisme, neotraditionalisme en minimalisme. Het is nu eenmaal een teken van deze tijd dat verschillende architecturale en kunststijlen in harmonie naast elkaar kunnen samenleven. Slechts het totaalpakket levert een architecturale en belangrijke verscheidenheid. Desondanks dient men er zich als architect of student-architect van te vergewissen dat parametricisme geen non-architectuur is, maar wel degelijk een belangrijke plaats verdient binnen de architecturale wereldrijkdom.

Zoals reeds gezegd heeft het essay van Schumacher, alsook de reeds jarenlange bestaande discussies over het wel en wee van parametricisme heel wat reacties losgeweekt. Velen verwijten het concept een korte levensbeschouwelijke visie, alsook een gebrek aan materiaal-economisch inzicht. Veel reacties merken ook een zekere stijldoodsheid op. Ikzelf merk in weinig gevallen stijldoodsheid op, maar wordt veeleer geconfronteerd met een uitbundig joie de vivre, een groots vertoon van het technisch en mathematisch kunnen van onze maatschappij. Ik word geconfronteerd met een rijke, warme en natuurhistorisch gerelateerde vormentaal.

En overigens, werden vernieuwers in het verleden ook niet weggelachen en verworpen tot onwetenden? Je weet wel, Van Gogh, in de schilderkunst, en ja, zelfs Le Corbusier in de architectuurwereld…

pixelstats trackingpixel

Verwante artikels

Plaats een reactie \